Welkom

Voorwoord

Stambomen

Biografieën
Nicolaas en Jannigje
Willem Joseph
Joannes en Anna
Henricus en Wilhelmina
Willem en Dirkje
Piet en Nel
Peet en Tine
Ad en Jo
Johannes Nicolaas Ignatius
Jeroen en Su

Kwartierstaat
Peter Michiel

Bronnen

Overig

Contact
 


IVa
Petrus (Piet) Henricus Clausman
en
Petronella (Nel) Mechtilda Lutters


Huwelijksfoto Piet en Nel Clausman-Lutters
Huwelijksfoto Piet en en Nel
 

Jeugdjaren

Piet werd op 10 juli 1886 om 9 uur v.m. geboren als eerste zoon en zesde kind in het gezin van Henricus Clausman en Wilhelmina Captein in het pand 'De Dubbele Sleutel' aan de Voorstraat te Woerden, Nel op 4 oktober 1887 om 3 uur 30 v.m. als eerste dochter en tweede kind in het gezin van Theodor Lutters en Gertruda Johanna Crommentuijn in het pand Tulpstraat 34 bis te Utrecht.
Piet bezocht in Woerden vier klassen van de RK lagere school. Zijn moeder overleed op 24 maart 1896 in een ziekenhuis te Utrecht aan de gevolgen van een fataal aflopende zwangerschap, Piet was op dat moment nog geen tien jaar oud. Hij werd in september 1896 geplaatst in het internaat van de fraters van de H. Familie aan de Kloosterstraat 12 te Goirle. In aansluiting hierop was hij vanaf september 1899 tot 31 juli 1901 intern leerling van het instituut 'De Ruwenberg' te St. Michielsgestel, waar hij o.m. leerde zich vloeiend in het Frans uit te drukken.
Nel kreeg haar basisonderwijs op de RK Meisjesschool Sint Aloyisius aan de Ganzenmarkt te Utrecht. Van het onderwijs dat zij daarna volgde is weinig bekend, wel dat zij o.m. een naaicursus deed en dat zij tot aan haar huwelijk gedurende 24 jaar onderricht voor de piano kreeg, zij speelde dan ook niet onverdienstelijk piano.
Vanaf vermoedelijk omstreeks 1901 werd Piet opgenomen door het kinderloze echtpaar, zijn toeziend voogd Anthonius (Toon) Lambertus van Eijck en zijn tante Anna (Ant) Martina Clausman, dochter van Nicolaas Clausman en Gerrigje Stokvis. Toon en Ant woonde aan de Witte≠vrouwenstraat 17bis te Utrecht waar hij op nummer 17 een slagerij dreef. Piet kreeg in Utrecht een opleiding tot meubelmaker en toen dit niet snel genoeg tot werk leidde leerde hij, niet geheel tot zijn genoegen, in de zaak van oom Toon het slagersvak.


Petrus Henricus Clausman (geb. 1886)
Piet in de slagerij
 

Toon was een zeer strenge en autoritaire man die niet gemakkelijk voor Piet was, doch tante Ant trad corrigerend op en hield hem de hand boven het hoofd. Zij overlijdt op 2 september 1914 's avonds half elf in een pand in de F.C. Dondersstraat, mogelijk op nummer 3. Toon hertrouwde op 1 maart 1916 met Joanna Antonetta (Net) Lutters, dochter van Paulus Radbodus Lutters en Mechelina Francisca Beckers.
Volgens haar persoonskaart woonde zij in maart 1916 in de F.C. Dondersstraat 3 te Utrecht. Bij de bruiloft van Toon en Net leerde Piet Nel kennen, haar vader was een broer van de bruid. Toon staakt voor 1921 het slagersvak en gaat rentenieren, althans vanaf augustus 1920 vermelden akten met betrekking tot Toon "zonder beroep". Hij en Net verhuisden op 31 oktober 1923 naar de Poortstraat 120 te Utrecht.
 


Petronella mechtilda Lutters (geb 1887)
Petronella Mechtilda Lutters
 

Nel woonde toen in de F.C. Dondersstraat 3 te Utrecht en zal evenals Piet parochiaan zijn geweest van de "OLV ten Hemelopneming" aan de Biltstraat. Piet was de trotse bezitter van een zware Harley Davidson motor met zijspan. Nel was hiervan minder gecharmeerd en zal opgelucht zijn geweest toen Piet er enige jaren na zijn huwelijk afstand van deed.
 

Gezinsvorming

Piet begint voor zijn huwelijk in 1917 voor eigen rekening een slagerij in het pand Voorstraat 16 te Utrecht. Hij nam de bestaande onderneming van Willem van Soest over, die daarna op Voorstraat 20 woonde. Vermoedelijk leende hij voor dit doel geld bij zijn vader. Ik bezit een kwitantie, gedateerd 1 januari 1919, waarmede Henricus erkent 1.750 gulden van Piet te hebben ontvangen als eerste afboeking op een geldlening. Verdere gegevens ontbreken echter. Piet en Nel huwden op 30 augustus 1917 in het stadhuis van Utrecht en vervolgens vond op 4 september 1917 in de RK parochiekerk "OLV ten Hemelopneming" de huwelijksinzegening plaats, waarna zij het woonhuis boven de slagerij betrokken.

 

Het huwelijk kan achteraf als geslaagd worden beschouwd. Piet had een gevoelige natuur en bleef tot aan het einde toe zielsveel van Nel houden. Het is tekenend hiervoor dat hij Nel slechts zes maanden overleefde. Nel was met haar warme persoonlijkheid in staat het gezin tot een hechte eenheid te vormen.
Ze brachten echter beiden hun problemen mee in het huwelijk, Piet was zeer autoritair opgevoed en voor hem was de in het toenmalige recht opgenomen frase: 'de man is het hoofd van het huisgezin' beslist geen loze kreet. Nel heeft haar hele leven moeite gehad met het uiten van emoties en was niet in staat te praten over datgene wat haar ten diepste bewoog, zij was daarbij zeer religieus, lid van de derde orde van St. Franciscus.
Piet had uitgesproken sympathieŽn en antipathieŽn, die hij nimmer onder stoelen of banken stak. Ook ten aanzien van de kinderen differentieerde hij. Nel liet daarentegen geen voorkeur merken, zo te zien waren alle kinderen haar even lief. Zij had door haar opvoeding en mogelijk door haar temperament een volgzame aard en accepteerde over het algemeen de autoriteit van Piet.
In enkele bijzondere gevallen was zij het echter die een moeilijke beslissing nam en dan op haar stuk bleef staan. In het genoemde pand werden de eerste drie kinderen geboren: Truus op 30 juli 1918, Mien op 19 september 1919 en Cor op 8 oktober 1920.
Piet's vader, Henricus, is vermoedelijk reeds direct na het huwelijk bij zijn zoon en schoondochter ingetrokken. Hij overleed op 78jarige leeftijd in het woonhuis boven de slagerij op 1 augustus 1920 's morgens om 6 uur.
Het is mogelijk dat Piet enig geld van zijn vader erfde, hij zag namelijk kort na het overlijden kans het slagersberoep, dat hij tegen zijn zin uitoefende, vaarwel te zeggen en zijn broodwinning in zijn oorspronkelijke vak te vinden.
 

Nieuwe onderneming

Piet kocht op 15 oktober 1920 voor 32.250 gulden het pand Voorstraat 18 te Utrecht, waarvoor hij hypothecair 22.000 gulden leende bij Henrik GabriŽl RŲmer. Bij de transactie was ook Hendrikus de Meijer betrokken, deze was gedurende een viertal maanden eigenaar van het pand en verdiende daarmede 750 gulden. Na ampele voorbereiding begon Piet op het nieuwe adres een meubelzaak. De slagerij werd in 1921 overgedaan aan Albert Uijterwaal, een schoonzoon van Willem van Soest, de oorspronkelijke eigenaar.
 


De panden Voorstraat 16 en 18
De panden Voorstraat 16 en 18
 

Op 8 maart 1921 verhuisde de familie Clausman naar het nieuw aangekochte pand, vanaf dat moment geeft Piet als zijn beroep 'stoffeerder' op. In de begintijd was Hendrikus de Meijer zijn (vermoedelijk stille) vennoot, doch de samenwerking is niet van lange duur geweest. Op het nieuwe adres werden achtereenvolgens geboren: Nel op 18 januari 1922, Peter op 30 juni 1923, Dora op 8 oktober 1924, Ad op 2 april 1926, Go op 23 januari 1928 en Annie op 19 mei 1929. Dora overleed er op 5 januari 1926, 15 maanden oud, naar verluidt aan de gevolgen van de koepokinenting. De laatste bevalling vond in 1931 plaats in het pand Voorstraat 40 te Utrecht, waar huisvrienden, de familie Alfrink, woonden. Toen de bevalling aanstaande was lag vrijwel de gehele familie Clausman, inclusief de hulp voor dag en nacht met griep te bed. Piet was er het ergste aan toe en ijlde in zijn hoge koorts. De huisarts, dokter Warndorff, vond een bevalling thuis onder die omstandigheden niet verantwoord. Gerda (Zus) Alfrink-Staffhorst bood daarop gastvrijheid aan en zo werd de jongste, Gerda (Zus) op 6 februari 1931 in het pand Voorstraat 40 geboren en naar deze huisvriendin vernoemd. In de beginjaren leverde de meubelzaak klaarblijkelijk een redelijk inkomen op. Er waren twee knechten in dienst, Nel had hulp in de huishouding voor dag en nacht, Cornelia Benschop. Op zekere dag bezocht Prins Hendrik de winkel van Piet en kocht een antiek stoeltje. Piet was zeer onder de indruk, nog versterkt toe het feit dat Prins Hendrik met een gouden tientje betaalde.
Piet was in de late twintiger jaren in het bezit van een Chevrolet met linnen kap en gebruikte deze auto als transportmiddel voor de meubelzaak. Hij had in de Loeff Berchmakerstraat een pakhuis in huur voor opslag van voorraden, en stalde hier de Chevrolet.
Bij mooi weer werd de auto op zondag voor een tochtje met de kinderen gebruikt. Deze vonden het prachtig om tegen de rijwind in gezamenlijk luidkeels te zingen, er ontstond dan een voor hen aangenaam vibrato. Deze autoritjes werden ook wel samen met de familie Alfrink gedaan, Jan Alfrink had een Buick, voor de kinderen 'De buik van Ome Jan'. De gehele familie ging in de zomer van 1923 vakantie naar Muiderberg, een badplaats aan de toenmalige Zuiderzee. Dit leverde een bittere teleurstelling op daar de twee jongsten buiten hun vertrouwde omgeving volkomen onhandelbaar waren.
Anna Kuiper was de vaste baker van het gezin en werd door de kinderen als tante Kuiper aangesproken. Zij was tijdens de bakerperioden gewend, waarschijnlijk om Nel rust te gunnen, urenlange wandelingen met de kinderen te maken, waarbij 10 kilometer wel het minste was. Zo liepen ze meerdere malen op en neer naar Maarssen. Zij leerden in ieder geval wat lopen was.
Zo was er later een dag waarop ze gezamenlijk gingen spelen in het Zeister Bos. Er werden boterhammen en flessen water meegenomen waarna de reis naar Zeist en terug te voet werd afgelegd. De allerjongste werd meegenomen in de kinderwagen.
Piet vergat zijn beroep als slager niet geheel, elk jaar rond de overgang van de herfst naar de winter kocht hij een half varken dat hij vervolgens in eigen huis tot vleesproducten verwerkte. Nel kwam daarbij ook in actie en produceerde balkenbrij en hoofdkaas. Het gezin kreeg dan traditioneel enige dagen echte balkenbrij voorgezet, waar de kinderen dol op waren.
Zij kregen vrijwel geen snoep, een uitzondering hierop was de 'hoestbal', een bruin gekleurde ulevel. Dagelijks lag er om vier uur op het buffet in de woonkamer een rijtje hoestballen klaar, ieder kon er bij thuiskomst uit school ťťn nemen. Deze traditie was mogelijk gestoeld op de wens dat de kinderen rechtstreeks uit school thuis zouden komen. Dit werkte in ieder geval wel. Daarnaast was er een medicinaal tintje aan dit snoepgoed. Nel had meer van dergelijke vaste gewoonten welke soms tot een soort traditie leidde.
Zo werden er, eerst dagelijks en later vanwege bezuiniging elke zondag, bij het ontbijt naast het kopje thee twee pennebeschuitjes geserveerd. Bij kinderbedtijd ging elke dag de gehele familie in de huiskamer op de knieŽn en werd er naast het avondgebed het rozenhoedje in samenspraak gebeden.
Elke morgen moesten alle kinderen naar de vroegmis en in mei en oktober 's-middags naar het lof. Bij het ouder worden van de kinderen verwaterde dit, doch Nel bleef haar hele leven de dagelijkse gang naar de kerk volbrengen. In december werd er veel aandacht besteed aan Sint Nicolaas en Kerstmis.
De kinderen konden in het algemeen goed met elkaar overweg al waren er wel plaagnamen. Truus werd 'opoe' genoemd, waarschijnlijk omdat zij, de oudste dochter, fungeerde als de rechterhand van Nel en daar enige autoriteit aan ontleende. Mien had een hang naar voornaamheid en werd met de titel 'barones' gesierd. Cor was 'bromvlieg' en Nel 'spin'. Peter kauwde zijn voedsel zeer zorgvuldig en werd met 'mussenpik' aangeduid. Ad heette 'pumpie' en Zus noemde zichzelf als kleuter 'uchie' en bleef dit etiket lang behouden.
 

De crisistijd

Op 22 maart 1926 werd de hypothecaire schuld afgelost en een nieuwe (mogelijk hogere) hypothecaire lening aangegaan bij een zekere Cator, een metaalhandel in de Jacobijnenstraat te Utrecht. De reden van deze wisseling is niet te achterhalen, zowel behoefte aan contanten als rentearbitrage kan er aan ten grondslag liggen.
De crisistijd van de dertiger jaren ging niet ongemerkt aan het gezin voorbij. Het meubelmagazijn floreerde niet meer, het was zelfs voor de kinderen duidelijk dat er doorlopend geldgebrek heerste. Per 1 oktober 1931 moest Truus, die toen net in de achtste klas zat, de schoolopleiding afbreken en thuis komen als hulp in de huishouding. Daarmee kon er afscheid worden genomen van Cornelia Benschop, hetgeen een besparing van een rijksdaalder per week opleverde. Het afscheid ging met veel emoties van de kant van de kinderen gepaard.
In die jaren kwam bij Piet de gedachten aan emigratie naar Canada op, de voorbereidingen daartoe werden energiek aangepakt. Het ging uiteindelijk niet door, de reden is onbekend, mogelijk heeft Nel hier haar 'neen' laten horen. Piet vond financieel soelaas in een nieuwe carriŤre als standbouwer en verhuurder van standmeubilair t.b.v. exposanten op de Jaarbeurs. Hij verkreeg in die tijd goede relaties, o.a.: Siemens en Van Houten.
Deze bezigheden bleken echter slechts enige jaren verlichting voor de geldelijke problemen op te leveren. De klanten gingen uit overweging van bezuiniging de standbouw in eigen beheer doen. De verhuur van tentoonstellingsmeubilair bleek zonder de daarmede verweven aanneming van standbouw niet voldoende levensvatbaar.
In een poging de meubelzaak nieuw leven in te blazen ging Piet in zee met een groothandel in woningtextiel, de firma Moor gevestigd aan de Plompetorengracht in Utrecht. Hij nam een zeer grote voorraad tapijten en karpetten, naar zijn mening en bedoeling in consignatie. Mien had een goede hand van schrijven en mocht de etalagekaartjes op zwart karton met witte plakaat-inkt maken, zoals:

Tapis Belges
200x300 cm.

De overeenkomst was niet behoorlijk vastgelegd en in goed vertrouwen aangegaan. De leverancier drong toen de goederen niet snel genoeg rouleerden onverwacht op directe betaling van de totale voorraad aan. Toen dit uiteraard niet lukte volgde aan het einde van het jaar 1935 het faillissement. Alle bezittingen, waaronder het huis, werden verkocht.
De familie vond in december 1935 onderdak in een naburig huurpand, een bovenhuis aan de Voorstraat 35bis. Het benedenhuis was als winkel en opslagruimte in gebruik bij de Utrechtsche Papierhandel, een speciaalzaak in behangselpapier.
In het nieuwe huis bevond zich een kamer die door de kinderen direct als 'de geheime kamer' werd betiteld. Deze kamer behoorde in feite tot een naastgelegen, volkomen ingebouwd pandje, dat slechts via de winkel in het benedenpand toegankelijk was. De deur van de betreffende kamer naar de gang in het eigen pand was dichtgetimmerd, in het bovenhuis was in de achterwand van een muurkast een doorgang naar het belendende pand gemaakt, hetgeen een wel zeer bijzondere extra kamer voor de familie Clausman betekende. Deze ruimte zou in de oorlog 1940-1945 nog een belangrijke rol spelen.
De woning was aanmerkelijk groter dan het vorige pand waar de kinderen opeengepakt verdeeld over twee slaapkamers moesten slapen, nu kregen ze twee aan twee een eigen kamer. Het pand had een erker waarin een prachtig uitzicht over de toen drukke Voorstraat mogelijk was. Nel zat hier in haar schaarse momenten van vrijheid graag om voorbijgangers in gunstige en ongunstige zin te becommentariŽren. Ze had vooral weinig op met jonge meisjes die hun aantrekkelijkheden naar haar zin wat teveel tentoonspreidden.
 

Nieuwe start

Piet had inmiddels een nieuwe broodwinning ontwikkeld: het aannemen en uitvoeren van verhuizingen inclusief de stoffering van de nieuwe woning. Piet had hiertoe jarenlang een samenwerking met de expediteur P.J. Elberts uit Utrecht en later met H. v.d. Kuil uit Bilthoven. Nel werkte ook mede voor het op maat maken van de te leveren gordijnen en vitrage. Piet bouwde een monopolie-positie op in de verhuizing van RK geestelijken in het bisdom Utrecht. Zo verhuisde hij o.m. de later tot kardinaal benoemde De Jong toen deze aartsbisschop van Utrecht werd en zich in 1935 aldaar aan de Maliebaan vestigde.
Ook de kinderen begonnen hun bijdrage aan het gezinsinkomen te leveren. Het was regel, zoals dat in die tijd in veel gezinnen het geval was, dat de kinderen hun inkomen volledig afstonden aan de ouders en daartegenover een overigens zeer bescheiden zakcent kregen.
Mien ging als eerste aan de slag. Zij staakte in de zomer van 1934 uit vrije wil de schoolopleiding in de 9de klasse. Zij had het eindexamen ULO reeds in zicht maar kon op dat moment als caissiŤre bij C&A op het Vreeburg terecht en wilde deze kans niet missen, de baantjes lagen toen niet voor het oprapen. Achteraf is het haar enige baan gebleven.
Truus was hierdoor op een idee gebracht, ze was het thuis helpen enigszins zat en bovendien bracht een baantje zakcenten mee. Op eigen initiatief solliciteerde zij bij Douwe Egberts en werd aangenomen. Haar succes was echter van korte duur. Piet sprak n.l. zijn veto uit en stapte persoonlijk naar Douwe Egberts om daar mede te delen dat zijn dochter niet beschikbaar was.
Anderhalf jaar later, op 1 januari 1936, kon ze toch aan de slag en nu met Piet's zegen. Ad Wessels, de eigenaar van de Utrechtse Papierhandel woonde namelijk boven zijn winkel op Voorstraat 35bis en zocht een huurder daar hij naar de Maliebaan wilde verhuizen. Hij benaderde Piet met het voorstel de bovenwoning aan de familie Clausman te verhuren onder voorwaarde dat Truus bij hem in de zaak voor de verkoop en de administratie beschikbaar zou komen. Piet ging hierop in en Truus had haar zin.
Er moest nu echter een andere dochter thuis komen. Cor zat in de examenklas van de ULO en mocht dit eerst afwerken. De keus viel toen op Nel, die in de achtste klas zat. Cor behaalde als eerste in het gezin in 1936 het eindexamen ULO. Nel kon nu in oktober weer opnieuw in de achtste klas beginnen en Cor loste haar als huishoudelijke hulp af.
Peter begon op 1 februari 1938 als jongste bediende bij het Accountantskantoor Willems & De Haas aan de Wittevrouwensingel te Utrecht. Nel rondde haar ULO-opleiding af in 1938 en slaagde er in per 1 januari 1939 een administratief baantje bij Wasserij Staatsen op Rotsoord in Utrecht te bemachtigen.
Cor deed inmiddels met succes een cursus machineschrijven en wilde eigenlijk ook graag aan de slag. Met steun van moeder kreeg ze toestemming een baantje als kinderverzorgster aan te nemen bij de familie Swaak van de gelijknamige boekhandel in de Mariastraat. Toen Cor echter thuis vertelde dat zij in de keuken moest eten was voor Nel de maat vol, zij stapte er op af en deelde de familie Swaak mede dat haar dochter niet meer beschikbaar was. Mien bracht begin 1939 een bezoek aan een waarzegster die haar voorspelde dat zij haar 21ste jaar niet zou halen. Hoewel het bezoek als een grap was bedoeld bleef zij toch met een onbehagelijk gevoel zitten tot op de dag waarop zij de voorspelling had overleefd.
 

De bezetting

De tweede wereldoorlog en met name de Duitse bezetting van 1940-1945 was een uitermate belangrijke episode in het leven van Piet en Nel. De periode wordt gekenmerkt door hun anti-Duitse houding, hun effectieve hulp aan joodse slachtoffers van het nazi-regime en aan andere onderduikers, hun zorg voor het eigen gezin vooral gedurende de hongerwinter 1944/45. Piet en Nel vulden elkaar daarbij uitstekend aan.
 
De joodse Duitser Walter Ascher en zijn niet-joodse verloofde Maria (Ria) Bramer kwamen uit hun woonplaats Kassel op vlucht voor de jodenvervolging rond de jaarwisseling 1933/34 naar Nederland. Zij belandden 1 maart 1936 als onderhuurders van een etage in de woning van Piet en Nel. De beide Duitsers waren toen resp. 26 en 23 jaar oud en wilden trouwen. De zogenaamde Neurenberger Wetten, die voor Duitse onderdanen ůůk in Nederland van kracht waren, lieten echter niet toe dat een jood met een niet-jodin trouwde. Uiteindelijk vond hun huwelijk eerst na de bevrijding op 31 mei 1945 plaats, waarna zij op 21 september 1945 eigen woonruimte konden betrekken in de Ev. Meijsterlaan 10 te Utrecht. Hun eerste en enig kind, Robert Julius Clemens, werd op 15 mei 1947 geboren.
 
Toen in de meidagen van 1940 het Duitse leger Utrecht binnentrok werd besloten dat de beide vluchtelingen in het huis van Piet en Nel een schuilplaats zou worden geboden. De buitengewoon intelligente Walter huurde meteen op 18 mei 1940 een kamer bij de joodse zusters [Wie weet de naam nog?] in de Obrechtstraat 23bis te Utrecht. Bij een bezoek op die dag aan de Burgerlijke Stand waren de ambtenaren van die dienst bereid hem te helpen. Zijn verblijfplaats aan de Voorstraat 35bis werd volledig uit het bestand verwijderd en vervangen door het adres aan de Obrechtstraat. Hiermede was er officieel geen verband tussen Walter en Ria meer te leggen. De kamer aan de Obrechtstraat werd 'gestoffeerd' met kleding, paperassen en allerlei gebruiksvoorwerpen die een bewoning moesten suggereren, doch deed in werkelijkheid alleen dienst als postadres.
Walter bleef op Voorstraat 35bis woonachtig en continueerde zijn werkzaamheden. Hij was als vertegenwoordiger in dienst bij een zekere Mendels te Zeist, een groothandel in accessoires voor de grammofoon. Daarnaast was hij begonnen aan de opbouw van een eigen bedrijf. Hij verkocht voor eigen rekening borsteltjes voor het reinigen van grammofoonplaten. De onderdelen daarvoor kocht hij in, terwijl de assemblage in thuiswerk geschiedde. Truus kon hiermede een zakcentje verdienen. Zijn werk vereiste veel reizen binnen Nederland. In mei 1942 werd Walter tot het dragen van de gele jodenster verplicht. De situatie was voor de joden in Nederland inmiddels dermate verslechterd dat voor hem de periode van het onderduiken een aanvang moest nemen.
De oudste dochter Truus was inmiddels op 17 december 1941 getrouwd en woonde met haar man, Jo Hendriks, in de Pontanusstraat te Amsterdam. Zij waren bereid hem een schuilplaats te verlenen. Walter nam hiertoe ook ter plaatse poolshoogte, maar uiteindelijk bleek het adres Voorstraat 35bis de voorkeur te hebben ondanks het feit dat de familie Clausman een zeer uitgebreide kring van kennissen en vrienden had die het adres frequenteerde. Het bestaan van de geheime kamer zal hierbij ook wel een rol hebben gespeeld. Toen hem ook in juni 1942 het reizen als jood onmogelijk werd gemaakt begon voor Walter de onderduiktijd definitief. Hij bleef gedurende een aantal maanden overdag doorlopend in de geheime kamer en ging eerste 's-avonds weer naar zijn eigen vertrekken. [1ste verbetering aan geheime kamer]
 
Ria was inmiddels als telefoniste werkzaam bij de Ortskommandantur, dit was uiteraard een bron van informatie die de beiden niet wilden missen. Zo was op 4 september 1944 door de Duitse weermacht georganiseerde huiszoeking van alle panden in de binnenstad van Utrecht tijdig bij Clausman bekend.
Walter liet rond juli 1942 zijn reeds in mei 1940 uitgekiende plan in werking treden. Hij vertelde met zeer veel overtuiging en onder het vragen van diepe geheimhouding aan zoveel mogelijk mensen dat hij er in geslaagd was een vluchtroute naar Zwitserland te vinden en dat hij daarvan nu gebruik ging maken. Door het onbetaald laten van de op zijn adres in de Obrechtstraat bezorgde belastingaanslagen en andere overheidsheffingen wilde hij bereiken dat de vlucht ook in Duitse kringen bekend zou worden. Waarschijnlijk is hij hierin goed geslaagd want op zijn persoonskaart is op 31 december 1942 de cryptische aantekening 'V O W' geplaatst, hetgeen mogelijk de vastlegging van zijn vermissing kan beduiden. Ook de gezusters [xxx] werd het vluchtplan verteld, zodat het spoor daar zou doodlopen. Een zeer dramatische ervaring voor Walter in die tijd was dat zijn moeder die in Diemen woonde, niet te overtuigen was van de noodzaak onder te duiken en zich 'vrijwillig' meldde voor transport naar het Oosten, zij is niet teruggekomen.
 


Op 4 september 1942 vierden Piet en Nel hun 25 jarig huwelijksfeest.
 

De laatste loodjes

Eind mei 1943 moest de oudste zoon, Peter, zich melden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. In verband met het feit dat er een joodse onderduiker in huis was werd met zeer grote tegenzin besloten dat het beter was dat hij ging. Peter bezocht met die bedoeling de Arbeidsbeurs aan de Breedstraat, maar kon toch nog niet besluiten in de rij voor het loket te gaan staan en keerde onverrichter zake weer. Toen dit bij zijn thuiskomst naar voren kwam hakte Nel de knoop door en besliste dat ook Peter zou onderduiken. Walter bleek daar geen problemen mee te hebben.
Peter's boezemvriend, Frans de Haas, werd in oktober 1944 ook een onderduikplaats in het huis verschaft tot hij in februari 1945 bij zijn zwager, Henk Rijnbout in de Burgemeester van de Voort van Zijplaan 37 te Utrecht terecht kon. Hoe voorzichtig Walter was werd geÔllustreerd door het feit dat Frans eerst tegen het einde van zijn verblijf bij de familie Clausman te weten kwam dat er een joodse onderduiker in huis was.
In het voorjaar van 1943 werd opnieuw door een joods gezin een beroep op Piet en Nel gedaan. Het was de familie Hein, die in de Wijde Begijnenstraat in Utrecht woonde en die een onderduikadres zocht voor hun enige zoontje, Peter. Zelf hadden de ouders een onderduikadres waar zij alleen terecht konden onder voorwaarde dat zij hun zoontje elders onderbrachten. Overleg met Walter leverde op dat hij het in huis nemen van Peter Hein ten sterkste afraadde omdat hij meende dat er te grote risico's aan verbonden zouden zijn. Er werd desondanks besloten de familie Hein te helpen, zij het op een andere wijze. De familie ging op zoek naar een adres voor Peter Hein, Truus en Jo besloten hem in Amsterdam aan de Pontanusstraat onderdak te verlenen. Op een zaterdag in april 1943 bracht dochter Nel Peter Hein per trein naar Amsterdam.
De daaropvolgende zondag ging het echter al mis. Nel was met Peter thuis gebleven, terwijl Truus en Jo kerkwaarts gingen voor de vervulling van hun zondagsplicht. Vlak voor de RK kerk aan het Ambonplein werden zij aangehouden door Duitse militairen. De opdracht luidde: iedereen meteen naar huis en binnen blijven, joden daarentegen dienden op straat te blijven. Thuis gekomen volgde een beraad; bij huiszoeking zouden ze zeker door de mand vallen, aangezien Peter Hein geen persoonsbewijs bezat en hij uiterlijk nogal gemakkelijk als een joods kind herkenbaar was. Op de 2de etage woonde echter een gezinnetje met een zoontje van dezelfde leeftijd als Peter Hein, terwijl de moeder bovendien een wat donker uiterlijk had. De kinderen werden toen geruild met de gedachte dat het op die manier wat gemakkelijker zou zijn om zich eruit te praten. Gelukkig beŽindigden de Duitsers hun huiszoekactie voor zij het huis van Truus en Jo bereikt hadden.
Hoewel dit avontuur goed afliep was het was een indicatie van de kwetsbare positie waarin Truus en Jo zich in hun kleine huis en in Amsterdam, een soort centrum voor de jodenvervolging, bevonden. De volgende dag werd Peter Hein daarom weer door dochter Nel per trein naar Utrecht gebracht. Deze dochter was geŽngageerd met Arnoldus (Nol) Willebrordus Jongerius, geboren 12 november 1922, een zoon van Cornelis (Kees) Maria Jongerius. Laatstgenoemde was Hoofd van de jongensschool "Sint Nicolaas" aan het Boerhaaveplein 5 en woonde in het aangrenzend pand op nummer 4. Nol was, bij thuiskomst van Nel met Peter Hein op Voorstraat 35 bis, aldaar aanwezig en op zijn initiatief bracht men de jongen naar zijn ouderlijk huis. Na ampele discussie met zijn vader nam de familie Jongerius Peter Hein nu in huis, hij bleef hier ongeveer zes maanden.
Nol werkte in 1943 bij Tabur N.V., een elektrotechnische groothandel. Via dit bedrijf kreeg hij, toen Peter Hein juist in zijn ouderlijk huis was opgenomen, een oproep voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Bij een afweging van de risico's kwam Kees Jongerius tot de conclusie dat onderduiken van Nol voor iedereen te gevaarlijk was. Nol vertrok daarop noodgedwongen naar Duitsland en werd Schaffner bij de Bremer Straszenbahn. Na ongeveer drie maanden kreeg hij een baan als kantoorbediende bij het bedrijf Asmij-BŲttger, ook in Bremen. Hij kreeg een verlof van enkele dagen en keerde huiswaarts. Peter Hein was echter nog steeds in zijn ouderlijk huis aanwezig en opnieuw was onderduiken voor hem onmogelijk.
Kees Jongerius vond echter enige tijd later bij een bekende een definitief adres voor Peter Hein, het betrof een alleenwonende kraamverpleegster, Cor van Lent, woonachtig in Haarlem waar Peter Hein het einde van de oorlog beleefde. Hij is op dit moment als gynaecoloog werkzaam bij het UMCN St. Radboud in Nijmegen. Nol kreeg op 1 november 1943 opnieuw enige dagen Urlaub en kon nu onderduiken zonder gevaar voor zijn ouders. Zijn eerste adres was op de Amsterdamsestraatweg bij de familie Reuben, die daar destijds een vrij grote winkel (in woningtextiel?/kleding?/manufacturen?) hadden. Vervolgens was Nol het grootste deel van het eerste halfjaar 1944 ondergedoken bij Piet en Nel.
Uiteraard konden volgens de toen geldende RK opvattingen verloofden niet onder ťťn dak slapen, dochter Nel logeerde daarom in die periode bij de familie Jongerius aan het Boerhaaveplein. [Scabius] Omstreeks het begin van het 2de halfjaar 1944 kreeg Nol via de Kininefabriek uit Maarssen vervalste identiteitspapieren op naam van Jan van Straten. Hij kon nu weer in zijn ouderlijke woning verblijven en werkte overdag bij de Kininefabriek op kantoor.
Een verdere hulp die Piet en Nel aan de familie Hein verleende, bestond er uit dat een grote hoeveelheid lijf- en beddengoederen van de hen op Voorstraat 35bis in bewaring werd genomen. De Heer en Mevrouw Hein doken omstreeks april 1943 op het gevonden adres onder. Zij werden echter bij herhaling, te weten viermaal waarbij de familie Hein op het nippertje wist te ontsnappen. Zij slaagden er telkens weer in een nieuw onderduikadres te vinden en overleefden de oorlog ook. Na zo'n gedwongen verhuizing werd er uit de op de Voorstraat opgeslagen goederen weer zo goed mogelijk een uitzet samengesteld en op het nieuwe adres gebracht.
Bij een van die gelegenheden werden de goederen verpakt in een koffer van de oudste zoon van de familie Clausman, wiens adres in deze koffer was aangebracht. Voor de koffer terug was werd bij een hernieuwde inval van de Duitsers bij een klompenmaker in Houten waar de familie Hein was ondergedoken, deze koffer gevonden. Dit leverde op Voorstraat 35bis een zorgvuldig opgezette en uitgebreide huiszoeking op.
 

Huiszoeking

Op een vooravond in begin oktober 1943 zat de familie met dertien personen aan de avondmaaltijd, mogelijk was daarbij verzuimd de voordeur op de knip te doen. Truus was met haar man en haar op 19 augustus 1943 geboren baby Tonny voor een dagje en een nachtje uit Amsterdam overgekomen in verband met de 56e verjaardag van Nel op 4 oktober. Het kind was in de voor hem vreemde omgeving wat huilerig en in een achterkamer op dezelfde verdieping in een bedje neergezet. Truus wilde niet dat iemand ging kijken. Zus kon het echter niet goed aanhoren en aan het eind van de maaltijd, terwijl de overigen nog wat napraatten, wilde zij naar Tonny gaan om hem te troosten.
Op de overloop aangekomen gilde zij het uit: 'inbrekers!!!'. Er stonden namelijk twee vreemde mannen op de gang, die kennelijk met behulp van valse sleutels zich toegang hadden verschaft. Walter en Ria hoorden op de bovenverdieping het gillen en namen meteen maatregelen, die eruit bestonden dat hij zich op hun slaapkamer in een muurkast verstopte. Achteraf bleek dat de huiszoeking door vier mannen werd verricht. Een ervan had zich bij de buren gemeld en was via dat huis op het dak van Voorstraat 35bis geklommen en hield daar een oogje in het zeil. De tweede bleef in het portiek geposteerd. Nummer drie kwam de huiskamer binnen en bleef daar, terwijl nummer vier het huis minutieus doorzocht.
Peter kon de geheime kamer uiteraard niet meer bereiken, aangezien hij niet ongezien langs de huiszoeker de gang op kon gaan. Dit zou overigens de zaak niet verbeterd hebben, want het eerste wat de man in de woonkamer deed was het tellen van de borden op tafel en het gevonden getal vergelijken met het aantal aanwezigen personen. Peter hoorde de poorten van het concentratiekamp Amersfoort al open gaan, hij had namelijk als gevolg van het binnenshuis blijven een lengte van pruik die in dat tijdsgewricht nog niet tot de bon ton behoorde voor jonge mannen, en was dus duidelijk als onderduiker herkenbaar. De man ging er vervolgens toe over bij alle aanwezigen het persoonsbewijs aan een nauwkeurige controle te onderwerpen. Bij Truus werd zelfs de duimafdruk op haar persoonsbewijs met haar eigen duim middels een loupe vergeleken.
Alleen Peter, die zich in een hoekje had opgesteld werd niet voor dit onderzoek uitgenodigd. De reden hiervoor is nimmer achterhaald. Inmiddels was de man die het huis doorzocht in het appartement van Ria beland. Zij bleek in staat te zijn de indringer van haar teutoonsche inborst te overtuigen en mijnheer vond het niet nodig juist haar vertrekken te doorzoeken. Binnen het uur waren de mannen weer verdwenen en kon de schrik langzaamaan wegebben.
Piet oefende nu pressie uit op de huiseigenaar Wessels om voor een beter afsluiting te zorgen. De argumenten hiervoor waren, naast de beschreven inval, ook het gebruik van het portiek in het duister voor allerlei minder smakelijke doeleinden. Zo moest het portiek regelmatig gereinigd worden van ontlasting, urine of condooms. Bij Wessels leefde natuurlijk ook de vrees voor zijn bedrijf. Dit was inmiddels gesloten wegens gebrek aan voorraden. Wessels liet nu het portiek afsluiten door over de gehele breedte van de gevel een ook aan de bovenzijde afgesloten houten schutting te plaatsen met een afsluitbare deur erin.

[Gasmeter-winter 43/44] [Elektra loodje verwijderen] [Elektra via winkel]
 

Hongerwinter

De aanvang van de hongerwinter bracht ontbering in het huis van Piet en Nel. De rantsoenen waren minimaal terwijl de aanwezige onderduikers geen bonkaarten hadden.
Tot aan de spoorwegstaking van 17 september 1944 was de voedselvoorziening van het gezin op een aanvaardbaar peil. Cor had als employť van de Nederlandse Spoorwegen per jaar twaalf gratis treinreizen en maakte daarvan gebruik om afwisselend naar familie in Afferden (Limburg) en naar kennissen in Varsselder (Achterhoek) te gaan. Ze kwam van haar reizen steevast terug met roggebrood en eieren. De familie kreeg uit de genoemde plaatsen ook aardappelbonnen toegezonden, waar aldaar geen behoefte aan bestond.
Aangezien de familie Clausman niet de enige was die van deze mogelijkheid gebruik maakte werd in [xxx 1944] onderscheid gemaakt tussen 'stads-' en 'plattelands'-bonnen. De jongste zoon, Ad, ging daarop met de Zeister tram naar Soesterberg om aldaar op de plattelands-bonnen aardappelen te kopen. Hoewel het daarbij om hoeveelheden van een mud of meer ging ondervond hij bij deze tochten nooit problemen.
Na de spoorwegstaking en toen Seyss-Inquart kort daarop alle voedseltransporten naar West-Nederland verbood was dit allemaal afgelopen en sloeg de honger toe. Dochter Nel ging een paar maal per fiets op hongertocht naar Varsselder en kwam dan overladen met voedsel terug. Hoewel deze tochten zeer veel moed en doorzettingsvermogen eisten en er bij terugkomst steeds feest was, was er gezien het grote aantal personen in het pand nimmer voldoende.
Om tenminste enige structurele verbetering te bereiken gingen de dochters Cor en Nel onder achterlating van hun distributiebescheiden op 7 februari 1945 te voet naar de Achterhoek om aldaar de oorlog 'uit te zingen', Cor werd liefdevol opgenomen in het gezin van boer Terhorst en Nel bij de smid Taken, beiden in Varsselder. Zij werden hier op 31 maart 1945 bevrijd. Op 16 februari 1945 vertrok ook Frans de Haas naar zijn nieuwe onderduikadres, hetgeen weer een mond minder te vullen betekende.
De overblijvenden werden rond 1 maart 1945 verrast door het Zweedse wittebrood en margarine. Ieder in het gezin kreeg 800 gram van het heerlijkste brood van hun leven en kon naar eigen verkiezing er al dan niet zuinig mee omspringen. Het was hen te vergeven dat dit feest uiteindelijk slechts ťťn dag bleek te duren. Gelukkig kwam er na veertien dagen nogmaals 400 gram, nu bruin brood uit Zwitserland.
[De warme maaltijden voor omaatje] [De bevroren olie van Zijlstra] [De omgedraaide Antonius]
Inmiddels werden de voedselproblemen steeds urgenter, Piet vond er wat op. Hij was bevriend met Henricus (Harry) Johannes Huinck, de eigenaar van een aantal drankzaken onder de naam Staffhorst in de stad Utrecht. Huinck bleek een voorraadje jenever te hebben en Piet beschikte over de nodige durf en handelsgeest om daar wat mee te doen. Het voorraadje werd naar behoefte omgezet in aardappels en brandstof, steeds twee mud voor een liter, waarna er een fifty-fifty verdeling tussen Clausman en Huinck plaats vond. Hierdoor was er in het gezin Clausman voor de rest van de hongerwinter steeds een redelijke voorziening van aardappelen en brandstof gewaarborgd.
De ondergrondse had inmiddels de familie Ascher als bron van inlichtingen ontdekt, Ria werkte immers op de Ortskommandantur. Zij kregen vervolgens aanvulling op hun rantsoen van zowel de zijde van de Ortskommandantur als van de ondergrondse, het was hen echter ten strengste verboden iets daarvan aan de familie Clausman af te staan.
Walter en Ria kregen via de ondergrondse uit Engeland een op batterijen werkende radio, waarmede in het resterende deel van de hongerwinter het moreel via het beluisteren van de Engelse zender op peil kon worden gehouden.

[Ziekte Mien]
[Vader contra Nol Geerars]
[Vlooienplaag]
[Het nachtzoentje]
[Volgens Ad waren er ook nog twee onderduikers van uit de ondergrondse, een zeker Siem en nog iemand. Een dikke en een dunne]
[Bezoek van twee Duitse SS'ers bij de terugtocht. Ze kwamen uitrusten en water drinken]
[Bezoek van een neef uit Duitsland lid van de Wehrmacht]
[Onderduiker David, Duitse officier]
[Inval ondergrondse na de oorlog]

De gevolgen van de hongerwinter eiste toch nog een slachtoffer. Dochter Mien werkte sinds 1934 als cassiŤre bij C&A, zij raakte in de zomer van 1944 dermate overspannen dat de huisarts behandeling nodig achtte. Zij werd opgenomen in het [Christelijk Sanatorium?] te Zeist waar op haar een electroshock-therapie werd toegepast. Na de spoorwegstaking van september 1944 werd de levensmiddelenvoorziening in het sanatorium zeer snel uitermate slecht, de patiŽnten hadden honger. Ze slopen 's nachts de tuin in om de daar groeiende rauwe rabarber te kunnen organiseren en eten. Er werden weliswaar voettochten vanaf huis naar Zeist ondernomen door Mien's zusters, waarbij er voedsel werd gebracht, doch dit leverde te weinig effect op. Dit kon namelijk maar sporadisch gebeuren, gezien de afstand van heen en terug zo'n 20 kilometer. Buitendien lag Mien niet alleen en werd het gebrachte voedsel op de [zaal/kamer] met andere patiŽnten gedeeld. Er werd zeer veel moeite gedaan haar weer thuis te krijgen, maar gebrek aan vervoer verhinderde dit. Uiteindelijk slaagde Piet [of zoon Ad] erin haar met een vrachtauto, die vergunning had voor vervoer i.v.m. de voedseldistributie, naar huis te halen. [Dit verhaal weet Ad veel beter. Was dit niet via een Herman van Dijk?].
[Wie was kolenschopje]
 

Naoorlogse tijd

In 1946 bleek dat Mien aan een ernstige vorm van open TBC leed, door het ontbreken van medische apparatuur was dit niet eerder geconstateerd. Tevoren had Mien een dramatisch verlopende verhouding met Lenard Paquette. Piet en Nel ontvingen na de afloop van de oorlog in Europa de bevrijders gastvrij in hun huis, waaronder de Canadees Lenard. Piet bleek tot verrassing van zijn kinderen de Franse taal uitstekend te beheersen. Lenard was vrijwel doorlopend de gast van de familie, hij ging zelfs 's Zondags mee naar de kerk.
 


 
    
  

Lenard kind aan huis
 

Reeds na korte tijd vroeg hij Mien ten huwelijk en zij viel voor zijn charmes. Er gebeurde nu iets wat onder militairen zeer ongebruikelijk is, zijn vrienden waarschuwden Mien dat Lenard reeds gehuwd was en dus geen zuiver spel speelde. Mien confronteerde Lenard met deze bewering, zijn antwoord luidde: "Ik kan aan de hand van mijn militair zakboekje aantonen dat ik vrijgezel ben. Ik eis echter vertrouwen, zonder dat kan geen huwelijk goed functioneren. Als je er op staat zal ik je mijn zakboekje tonen, maar dan is alles tussen ons uit." Mien koos voor vertrouwen, niet lang daarna deelde Lenard mede dat hij naar Brussel moest om de trouwpapieren en de immigratiedocumenten in orde te maken. Hij kwam niet meer terug en liet nimmer meer iets van zich horen. Hun kind werd op 23 maart 1946 te Utrecht geboren.
Aangezien inmiddels door het weer beschikbaar komen van medische apparatuur de open TBC was vastgesteld, mocht zij haar kind alleen achter glas zien. Nel verzorgde Mien thuis tot het bittere einde, zij stierf op 23 juni 1946. De oudste zoon Peter was inmiddels getrouwd en hij en zijn vrouw boden aan het kind, Maria (Mary) te adopteren. Nel wilde hier niets van weten daar zij op Mien's sterfbed haar had beloofd zelf voor het kind te zorgen. Zo werd Mary in het gezin van Piet en Nel opgenomen en grootgebracht. De kinderen verlieten de een na de ander wegens huwelijk het ouderlijk huis, alleen Cor en Mary bleven achter. De laatste van de eigen kinderen die vanuit het gezin huwde was Petronella (Nel) Johanna op 26 november 1958, weliswaar trouwde Ad eerst op 27 juli 1962, doch hij was reeds veel eerder elders gaan wonen.

[Inwoning op aandringen van bisschoppen, vieze Liesje]

Op 24 september 1963 verhuisden de vier overgeblevenen, Piet, Nel, Cor en Mary naar een nieuwbouwwoning aan het adres Alexander de Grotelaan 50 te Utrecht. De verhuizing van de gezellige binnenstad naar een stille buitenwijk beviel Nel slecht. Nel overleed op 7 juni 1965 in het Homeopathisch Ziekenhuis te Utrecht. Piet kreeg last van evenwichtsstoringen en suikerziekte en werd tijdelijk ondergebracht bij dochter Annie aan de Adriaan van Ostadelaan te Utrecht. Hij verhuisde eind 1965 naar een tehuis voor ouden van dagen [Hoe heette dit?] te Amersfoort. Reeds kort daarop rond oud en nieuw werd hij opgenomen in het ziekenhuis van Amersfoort waar hij op 9 januari 1966 overleed.
 

Daarna

Mary huwde op 25 oktober 1967 met Cornelis (Kees) Yperlaan, het jonge gezin trok bij Cor in tot het in [1968?] eigen woonruimte kreeg. [Mary vragen!]. Na enige omzwervingen belandde Cor op een eigen adres: Hazeweide 1 te Nieuwegein.